Vederlicht

Fragment
Klaas Woudstra en ik haalden niet het beste in elkaar boven. Hoe harder hij schreeuwde dat ik moest blijven lachen tijdens het dansen, des te meer verkrampte mijn mond tot een vorm die je onmogelijk nog een glimlach kon noemen. Als hij mijn voeten die de passen niet konden onthouden in de juiste positie sloeg, dan wilden ze juist op het verkeerde moment in beweging komen. Hoe vaker hij zei dat ik een hopeloos geval was, hoe meer ik leek te bewijzen dat ik dat inderdaad wás. Toch bleef ik hoop koesteren dat hij op een dag mijn ware zelf zou zien, dat ik behalve een groot danseres ook iemand was die mensen versteld deed staan met haar gave op alles altijd een verbluffend weerwoord te hebben. Ook geloofde ik niet dat hij werkelijk een slecht mens was. In feite was hij een liefhebbende man, die hield van zijn leerlingen en ze wilde voorbereiden op de harde werkelijkheid die hun toekomst was. Als ik over de gang liep en een zweem van de geur van pijp opsnoof die hij als een spoor achterliet, ademde ik die zo diep mogelijk in, met een mengeling van ontzag, diepe liefde en doodsangst.
Eén keer kwam mijn vader me van school halen – ik weet niet meer waarom, misschien was mijn oma overleden of was er iets anders ergs gebeurd dat toen niet tot me doordrong – en omdat ik hem niet verwachtte, liep ik hem straal voorbij, mijn hoofd bij andere zaken dan mijn omgeving, zoals hoe ik onmerkbaar tegelijk met het douchewater in het putje zou kunnen verdwijnen; overigens was ik op dat moment zo mager dat dit niet eens zo’n onrealistische gedachte was. Mijn vader moest me bij mijn schouder pakken en enigszins door elkaar schudden, voordat ik opkeek en hem herkende. Later vertelde hij dat hij op de terugweg in de auto had moeten verbergen dat hij moest huilen, dat hij niet had geweten wie dat meisje was dat zo afwezig en schichtig door de gangen liep en dat hij zich wanhopig had afgevraagd waar ze zijn dochter hadden gelaten. Ik vroeg hem waarom ze me niet van school hadden gehaald; ik had toch makkelijk weer in kunnen stromen op de lieve basisschool in het lieve dorp waar ik was opgegroeid, maar mijn vader zei dat ik dat onder geen beding wilde, dat ik koste wat het kost op die school wilde blijven, en dat ik mijn ouders verboden had zich met mijn keuzes te bemoeien. Ik herinnerde me vaag de schaamte bij de gedachte me weer aan te moeten sluiten bij mijn vroegere klasgenoten, die uit een vorig leven stamden, die nog niet zo groot was als de allesoverheersende schaamte om aan Klaas Woudstra toe te moeten geven te hebben gefaald.
Mijn oudste zus wilde me graag helpen me te wapenen tegen de boze buitenwereld; zij zat al op de middelbare school, waar ze aanbeden werd door jongens die ze minzaam afpoeierde. Op een ochtend zette ze met zwart kohlpotlood een lijntje onder mijn ogen; ze zei dat ik prachtig was, en dat meneer Woudstra wel zou opkijken. Dat deed hij inderdaad, alleen niet op de manier die ze had bedacht: hij zei dat een beetje eyeliner me nog geen temperament gaf, dus dat ik me beter niet meer kon wagen aan die aanstellerij. Temperament was iets waar het mij volledig aan ontbrak, en dat gold eigenlijk voor alle Nederlandse vrouwen; we hadden geen peper in onze reet zoals de vrouwen in andere culturen, die ook meer peper aten. We hadden één half-Spaans meisje in de klas, dat wel peper in haar reet had; ook was er een meisje van wie hij zei: ‘Jij hebt zo veel temperament, ik vraag me af hoe jij in bed bent.’ Dit waren de meisjes die voortaan de oefeningen mochten voordoen als iemand, zoals ik, ze niet goed uitvoerde. Ik vroeg mijn moeder meer peper in het eten te doen en ’s avonds bad ik dat Klaas Woudstra zich ooit af zou vragen hoe ík in bed was, hoewel ik in bed weinig anders deed dan slapen als een blok, omringd door knuffelbeesten die ik nog elke avond in slaap kuste.
Toch had ik er geen moment bij stilgestaan dat hij me wellicht geen rol zou toebedelen in de eindvoorstelling, die langzaam naderde. Op school had ik immers altijd bij de besten van de klas gehoord; ik was het niet gewend ergens níet voor gevraagd te worden – ik was degene die, bijvoorbeeld, een brief aan de minister mocht schrijven om hem uit te nodigen aanwezig te zijn bij onze sponsorloop voor ongeneeslijk zieke kinderen, of met een goed gelukte tekening alle klassen rond mocht. Klaas Woudstra had ons een paar lessen eerder al gewaarschuwd: hij wilde absoluut niet gebeld worden door moeders of vaders die zich beklaagden dat hun dochter geen rol had in de voorstelling, hij schetste levendig hoe hij je de rest van het jaar belachelijk zou maken als je dat toeliet. Ik maakte me nog niet werkelijk zorgen: we waren hier toch aangenomen om te dansen, wat voor nut zou het hebben als je niet mee mocht doen aan een voorstelling die nota bene gewoon op school gehouden zou worden en waarnaar voornamelijk je eigen familie kwam kijken? Het was niet altijd duidelijk wanneer hij een grapje maakte of serieus was, maar dit was een grap, dat wist ik zeker, iedereen zou gewoon mee mogen doen, we zouden met z’n allen ons best doen er iets heel moois van te maken.
Toen Klaas Woudstra de rollen verdeelde en mij en nog een ander meisje, dat hij intens verachtte, aan de kant liet staan, begreep ik dat echt niets op deze school eraan toeging zoals ik was gewend dat dingen eraan toegingen. Het meisje, dat door Klaas Woudstra meestal ‘pamperkont’ werd genoemd, huilde hartverscheurend, waardoor ik niet anders kon dan ook dikke tranen huilen, terwijl ik aan de kant probeerde de passen te volgen die de andere meisjes straks op het toneel zouden uitvoeren. Ik had niet verwacht dat hij ons die les toch een keer op de plek zou zetten die wij als schaduwen moesten ‘dubbelen’ voor het geval er iemand uit zou vallen; door mijn tranen heen had ik maar half opgelet, en mijn hart stond stil toen hij een ander meisje aan de kant zette en tegen mij zei: ‘Laat maar zien of je hebt opgelet.’
De muziek ging aan en ik zette de eerste stap met mijn rechterbeen in plaats van het linker. De muziek ging abrupt uit. Woudstra stond op, greep naar de stoel die naast hem stond en maakte een beweging alsof hij die naar mij toe wilde smijten. Ik dook in elkaar. Hij zei: ‘Dat krijg je ervan als je aan de kant staat te janken, stom wijf.’