Verboden te twijfelen

Fragment
Lotus en Jonathan zagen elkaar pas weer toen ze op dezelfde middelbare school terechtkwamen. Eigenlijk duurde het toen nog een paar jaar voor ze elkaar echt zagen. Jonathan had haar wel eens door de gangen zien lopen en dan had hij even opgekeken. Hij had eigenlijk niets met het meisje, met haar hippieachtige uiterlijk dat losstond van haar kleding; zelfs als ze een witte blouse droeg op een kokerrok met hoge laarzen, bleef ze een vreemde, dwarrelende indruk maken. Hij kreeg nooit oogcontact met haar, haar ogen gingen deels verscholen achter haar lange haar dat ze bijna altijd los had. Hijzelf hield van frisse meisjes in spijkerbroek met een iets te dikke kont, met hun haar in een eeuwige paardenstaart, die je van veraf al brutaal aankeken, die iets te hard lachten als je een grapje maakte. Hij had altijd vriendinnetjes van dit type en hoewel ze voor hem vrijwel inwisselbaar waren, kon hij met ze lachen en de show stelen op feestjes en andere gelegenheden. Hij kon dus niet verklaren waarom hij opkeek als zij hem voorbijliep, het had met een vaag gevoel van herkenning te maken dat hij niet kon thuisbrengen.
Zij zag hem helemaal niet. De eerste jaren van de middelbare school zaten ze in verschillende klassen en zij richtte zich volledig op haar eigen klas, waar ze haar vriendinnen, vrienden en verliefdheden opdeed. Omdat ze voortdurend probeerde mensen te doorgronden, had ze al haar aandacht nodig voor haar klasgenoten, en vergat ze dat er nog meer mensen op school rondliepen. Ze was gevoelig voor andermans stemmingen en kon soms nauwelijks bepalen waar haar eigen gevoelens ophielden en die van anderen begonnen. Ze hield haar wereld bewust klein en overzichtelijk, omdat ze anders overweldigd zou worden door de enorme hoeveelheid mensen die haar omringde.
Zij zag hem dus pas veel later, toen de verschillende klassen samengevoegd en heringedeeld werden en hij voor haar kwam te zitten bij geschiedenis, haar lievelingsvak. Zelfs toen lette ze de eerste paar lessen totaal niet op hem, ze luisterde als een van de weinigen naar wat de docent te vertellen had. Niet dat deze zo vreselijk boeiend vertelde, maar je had nu eenmaal een lievelingsvak of je had het niet. En Lotus hield van geschiedenis. Ze geloofde toen al dat het verleden een spiegel was van de toekomst; als je maar ver genoeg terugging – verder dan de wetenschap op dit moment toeliet –, zou je een volkomen helder beeld van de toekomst hebben.
Het was tijdens een les over de Tweede Wereldoorlog, toen Lotus wat dromerig voor zich uit zat te staren – dit stuk geschiedenis was nog zo vers dat het volgens haar niets met de toekomst te maken kon hebben – dat ze voor het eerst doorhad dat hij voor haar zat. Ze keek naar de achterkant van zijn hoofd, zijn T-shirt, zijn blote onderarmen, de krullen in z’n haar, en dacht: Jonathan, zo heet hij, toch? Op dat moment draaide hij zich om, heel toevallig, alsof ze hem geroepen had. Hij keek haar aan en glimlachte, of eigenlijk was het meer een soort grimas. Had de docent iets grappigs gezegd? Iets met een dubbele bodem wellicht? Had het met haar te maken? Ze glimlachte terug, maar hij had zich alweer omgedraaid.
Later die les, toen ze alvast aan hun huiswerk waren begonnen, draaide hij zich weer om. Hij pakte haar pen en rolde ermee heen en weer over haar tafeltje.
‘Mij is ooit een verhaaltje verteld over een roodborstje dat al zijn rode veren weggaf,’ zei hij, terwijl hij de pen haar kant op rolde. ‘Op een gegeven moment was hij zichzelf niet meer omdat hij geen rode veren meer overhad. Hij was dus geen roodborstje meer.’ Hij rolde de pen weer terug.
Lotus had geen idee waarom hij haar dit vertelde. Ze nam aan dat het aansloot op iets wat in de les was gezegd, maar omdat ze niet had opgelet, wist ze het niet.
‘Waarom deed hij dat dan?’ vroeg ze. ‘Zijn rode veren weggeven?’
‘Gewoon. Hij vond dat hij beter bedeeld was dan de andere vogels omdat hij als enige rode veren had. En hij dacht dat hij er meer dan genoeg had, dat ze nooit op zouden gaan.’ Hij legde de pen neer en stak zijn hand naar haar uit. ‘Ik dacht dat ik me maar eens aan je voor moest stellen,’ zei hij. ‘Ik ben Jonathan.’
Hij pakte haar hand en hield hem vast zonder hem te schudden.
‘Dat weet ik toch. Ik ben Lotus.’
‘Een bizarre naam,’ constateerde hij. ‘Je ouders waren zeker hippies.’
‘Mijn moeder heet Tini en daar baalt ze al haar hele leven van, vandaar dat ze besloten heeft haar kinderen bijzondere namen te geven.’
‘Hoe heten je broers en zussen dan?’
‘Mijn zusje heet Fee.’
‘Dat gaat nog, veel beter dan Lotus. Of toch niet. Het past wel bij je, die naam.’
‘Mijn moeder wilde tien kinderen en ze had al tien namen bedacht. Lila, Sterre en Lely voor de drie meisjes die ze nog zou krijgen, en Storm, Zilver, Prins, Herfst en Beer voor de jongens die ze nog wilde. Gelukkig kreeg ze alleen ons.’
‘Je moet wel heel veel van je moeder houden dat je al die namen hebt onthouden.’
‘Tja.’
Lotus zag hoe hij haar lachend aankeek, een lach die het midden hield tussen minachting en vriendelijke nieuwsgierigheid, misschien zelfs een vleugje bewondering. Ze wist niet wat deze jongen van haar wilde. Enerzijds voelde ze zich er ongemakkelijk bij, maar vreemd genoeg maakte zijn schampere blik haar ook rustig, alsof hij haar leek te vertellen dat ze elkaar al jaren kenden.
‘Jij en ik,’ zei hij, voordat hij zich omdraaide om weer aan het werk te gaan, ‘wij zijn nog lang niet uitgesproken.’
Het klonk als een dreigende waarheid.