Soms mis je me nooit

Fragment
Buiten pakte ik mijn fiets, en toen ik op het zadel ging zitten, kreeg ik een licht, vrolijk gevoel. Het was nog koud, maar toch leek het alweer richting lente te gaan en ik moest denken aan die keer dat ik met blote voeten op de fiets zat en ze liet waaien in de wind. Het leek toen alsof dat geluk bracht, want ineens riep Max me. Hij zat op een balkon waarvan ik toen nog niet wist dat het het zijne was. Ik was zo verbaasd hem daar te zien dat ik eerst niet wilde blijven. Maar natuurlijk bleef ik toch. We dronken wijn. Het werd donker, en toen het zo donker was dat we dachten dat de mensen beneden niets meer konden zien, sleepte hij het matras van zijn bed naar buiten. Eerst keken we naar de sterren en daarna kleedde hij me uit, hij bekeek me van top tot teen, hoe ik er naakt uit zag. ‘Ik mag wel naar je kijken, toch?’ Ik werd helemaal week en zacht en geil van dat kijken, maar ik liet het niet merken. Alles was zo vreemd en ergens leek hij een vreemde en leek ik een vreemde en alles een droom. Hij had alleen een broek en een boxer aan die ik allebei uittrok. ‘Ik heb nog nooit seks gehad op dit balkon,’ zei hij. ‘Ik ook niet,’ zei ik. Later moesten we lachen, omdat we zagen dat iedereen die op straat omhoog keek ons kon zien liggen.
Ik moest weer lachen toen ik eraan dacht, uit schaamte misschien, maar ook van geluk. Ik overwoog om mijn schoenen en sokken weer uit te trekken, omdat het geluk bracht, maar het was nog steeds pas februari.
Ik fietste zo hard als ik kon. Ik was vergeten hoe fijn het is om te fietsen als je een doel hebt. Waarom had ik Max eigenlijk niet eerder opgezocht? Als ik zo graag wilde weten hoe het met hem ging, dan kon ik toch naar hem toefietsen, aanbellen, en vragen: ‘Hoe gaat het met je?’ Hij zou bij de deur staan en verbaasd, misschien zelfs verstoord, opkijken, maar nadat hij me een tijdje had bekeken, zou hij breed glimlachen en me bij de naam noemen die bijna niemand meer gebruikt, omdat het een naam van hem en mij was. Zou hij me binnenlaten en zou ik bij hem op het vloerkleed mogen zitten? Zou hij thee voor me zetten? Zou ik op zijn vloerkleed de haren van meisjes vinden, van de meisjes die hij altijd miste toen hij met mij was? De kans dat hij zou zeggen: ‘Na jou zijn er geen meisjes meer geweest’, leek me klein, en als hij het zou zeggen, was het gelogen. Maar misschien zou hij zeggen: ‘Ik heb na jou nooit meer met een meisje seks gehad op het balkon’. En het zou waar zijn, want na mij was de winter begonnen en het was nog steeds geen zomer.
Ik begon wat langzamer te fietsen. Het was best ver en ik hield het niet vol met deze snelheid. Bovendien begon ik te twijfelen aan het hele plan. Ik wist ook niet waarom ik ook alweer had besloten om Max op te zoeken. Zou hij me binnenlaten? En waar moesten we over praten, als hij me binnenliet? Moest ik vragen hoe het met zijn werk ging? Hoe het met de band stond? Het zou een rare vertoning worden, wij samen in zijn kamer, pratend over muziek en werk alsof het allemaal de gewoonste zaak van de wereld was. En als hij me niet binnen zou laten, als hij zou zeggen: ‘Sorry, maar ik heb het heel druk, leuk dat je even langskomt, maar ik zie je een andere keer wel’? Dan zou ik mijn fiets weer moeten pakken en terug moeten fietsen en zou ik vast niet meer weten hoe ik moest fietsen. Misschien zou ik wel een sloot inrijden en naar de bodem zakken en nooit meer boven komen. Het zou niet eens uitmaken. Ik reed nog langzamer, zo langzaam dat ik bijna stilstond. Op het laatst stond ik inderdaad stil, met naast mij het water en aan de andere kant een winkel waar ze koffie en thee verkochten. Ik reed mijn fiets de stoep op en keek in de etalage van de winkel. Misschien was het een goed idee om hier iets te kopen en het einddoel nog wat uit te stellen. Ik zette mijn fiets op slot. Ik liep rond in de kleine winkel. De vrouw achter de toonbank keek me vreemd aan.
‘Ik ben onderweg,’ legde ik uit. Het klonk belachelijk. ‘Naar iemand,’ ging ik verder. ‘Maar ik heb nog geen cadeautje gekocht.’ Dit klonk logisch. Gelukkig knikte de vrouw me begrijpend toe.
‘Koffie of thee?’ zei ze. ‘Houdt hij meer van koffie of van thee?’
‘Heeft u kaneelthee?’ vroeg ik.
De vrouw knikte. ‘Natuurlijk.’
Misschien was kaneelthee toch niet zo’n goed idee.
‘Nee, doe maar iets gewoons,’ zei ik. ‘Aardbeienthee.’
‘Wat leuk, hè,’ zei de vrouw, ‘een jongen die van thee houdt. Wees er maar zuinig op. Het is toch voor een jongen?’ Ze pakte de thee in en keek me niet aan, zodat ik kon knikken zonder dat ze het zag. Ineens wist ik helemaal niet zeker of Max nu wel of niet van thee hield. Ik liep de winkel uit met het pakje thee in mijn hand. Als ik aankwam met een cadeautje, was de kans groter dat hij me binnenliet. Ja, hij zou me binnenlaten en het zou niet moeilijk zijn, want ik kon hem de thee geven en hij kon thee gaan zetten en we zouden niet zwijgend tegenover elkaar hoeven staan. Ik was zo tevreden over deze oplossing dat ik zingend verder fietste. Wat hou ik van fietsen. Nog meer dan van fietsen, houd ik van achterop zitten bij iemand die je kan vasthouden, iemand die liedjes fluit en de weg weet. Misschien, dacht ik, moet ik Maria eens achter op mijn fiets zetten en dan heel ver met haar gaan fietsen. Misschien zou ze dan minder vaak weglopen. Nee, ik wilde nu niet denken aan Maria. Ik dacht aan Max, aan zijn blote voeten, zijn afgezakte broek, de rare krullen die voor zijn ogen hingen. Zijn gezicht kon ik met geen mogelijkheid voor me zien. Alleen onderdelen: zijn glimlach, zijn rechte neus, de norse blik in zijn ogen. Het werd geen geheel. Maar straks zou hij de deur opendoen, hij zou me aankijken, hij zou...
‘Kaneel!’
Ik remde hard. Bijna reed ik tegen een jongen op die van de stoep afsprong en zich voor mijn fiets gooide alsof hij zich omver wilde laten rijden.
‘Hé idioot!’ riep ik.
Het was Max.
Zijn haar zat meer door de war dan ooit en hij hijgde alsof hij had gerend.
‘Kaneel!’ zei hij nog een keer, buiten adem.
‘Dat is lang geleden,’ zei ik. Ik zei precies wat ik hoopte dat hij niet zou zeggen. Het moest perfect zijn, ik moest bij hem aanbellen, hij zou opendoen en als hij me zag zou hij alles begrijpen. En nu kwam ik hem hier tegen, op straat!
‘Waar fiets je naartoe?’ vroeg Max.
Ik wilde liever weten waar hij heen ging, maar ik vroeg het niet. Het zou stom zijn nu te zeggen dat ik naar hem onderweg was. Waarschijnlijk zou hij het niet eens geloven. En al zou hij het wel geloven, hij was niet thuis, hij was hier, dus bij hem langsgaan kon sowieso niet. Ik wilde helemaal niets meer zeggen, ik wilde mijn fiets op straat gooien en daar altijd blijven staan.
‘Ik was onderweg naar mijn oma,’ zei ik. ‘Even langsgaan en kijken hoe het met haar gaat, en een cadeautje langsbrengen.’ Ik knikte in de richting van het cadeautje. ‘En jij?’ vroeg ik, want het was beter, veel beter, als hij praatte.
‘Ik was een stukje aan het rennen,’ zei hij.
‘Het is echt een tijd geleden,’ zei ik weer. Alsof ik niets beters kon bedenken. Ik moest hier weg, voordat het nog erger zou worden.
Hij knikte. De krullen dansten voor zijn ogen.
‘Hier,’ zei ik. Ik drukte het pakje thee in zijn handen. ‘Mijn oma houdt er eigenlijk helemaal niet van.’
Hij keek me verbaasd aan.
‘Weet je het zeker?’ vroeg hij.
‘Ja,’ zei ik. ‘Drink maar op. Het is aardbeienthee.’
‘Dankjewel.’
Ik stapte op mijn fiets.
‘Dag,’ zei ik.
Max zei niets meer.
Ik fietste hard weg, ik ging op mijn trappers staan waardoor mijn fiets gevaarlijk heen en weer zwaaide. Mijn gezicht werd warm en rood en ik wist niet of het van schaamte was, of van blijdschap, of van verdriet. Het zou nooit meer hetzelfde worden met Max en mij. Het was dom om te denken dat zoiets kon.